De Scheveningse Pier
De Scheveningse Pier
Vissersverzet
Rijksmonument
Gastenboek
De Scheveningse Pier
De Scheveningse pier. Met 382 aflandige strekkende meters een behoorlijk lang end, om het op z'n Schevenings te zeggen. Gestut door bijna 200 schroefpalen, waarvan er 15 op het strand staan, is het een behoorlijke golfbreker. Geducht door surfers, vanwege de verradelijke stroming tussen de palen, en, in vroeger tijden, gehaat door vissers omdat hun schepen op de pier te pletter konden slaan. In 1901 werd de pier in aanwezigheid van veel hoogwaardigheidsbekleders en de Koninklijke Familie door prins Hendrik gedoopt tot 'Wandelhoofd Koningin Wilhelmina'.

In de afgelopen eeuw is de Pier flink van uiterlijk veranderd. Bij het oorspronkelijke ontwerp, in een 'orientaliserende Art-Nouveau stijl' (twee Moorse koepeltjes, zoals op een minaret), sloot het wandelhoofd rechtstreeks aan op het Kurhaus. Deze passage over de boulevard is later afgebroken en ook de Moorse koepeltjes zijn verdwenen.



De pier was gerekend vanaf het Kurhausterras 416.57 meter lang en vanaf de strandmuur 372.10 meter. De breedte van de overbrugging van de boulevard bedroeg 10 meter. Aan het eind van het wandelhoofd bevond zich een groot platform van 62 bij 64 meter, waarop het paviljoen stond.

In het paviljoen werden 's middags en 's avonds concerten gegeven door de Kurkapel, de eerste jaren onder leiding van Fritz Hoffman. Na de Eerste Wereldoorlog kwam het variete-theater meer in de belangstelling en kon er tevens gedanst worden. Een bonte rij bekende en onbekende artiesten heeft het toneel bevolkt, zoals Kees Pruis, Willy Derby en Lou Bandy; van acrobaten, clowns en gedresseerde papegaaien (!), van Larette de goochelaar en Fransky, de man met de lachende benen. De optredens werden veelal in het Duits en Frans gegeven, met het oog op de vele deftige gasten die in het statige Kurhaus logeerden. In het Algemeen Dagblad van 19 mei 1961 staat een korte impressie opgetekend van de gang van zaken van de artiesten die in het paviljoen optraden:

Het was een feest om er op te treden. Behalve wanneer de Noordwester gierde, want dan stond je voor lege tafels en stoelen te zingen, en behalve op donderdagavonden. Dan moest je je doodjakkeren, aangezien de lichtjes uitgingen, vanwege het vuurwerk op Scheveningen, zoals het in een liedje heet.