| | |  
Scheveningen was rond de eeuwwisseling een klein dorp aan zee, niet de mondaine badplaats die het tegenwoordig heet, met torenflats, casino's, bioscopen, musea, hotels, heel veel toeristen en een moderne haven. Scheveningen was stil en leeg. Veel mensen leefden in armoede; slechts een enkeling waagde zich in onderkleding op het strand. Aan zee werd vooral gewerkt. Achter de duinreep stonden de vissershuisjes dicht aaneen gebouwd, met onverharde straten en grauw wasgoed voor de ramen. Dat is het Scheveningen waar mijn grootouders woonden en werkten. Grootvader verdronk op zee, het lot dat vele vissermannen was beschoren. Mijn grootmoeder werkte als zovele vrouwen 'in de vis', en voedde zeven monden van de opbrengst van de garnalenvangst. De sfeer van het oude Scheveningen komt goed tot uiting in het gedicht van J.C. Bloem: 'Scheveningen: mistige wintermiddag', waaruit ik enkele karakteristieke regels citeer:
Doodstille Decemberdag Nevel en stilte overal. Geen enkel geluid maakt gewag Van een wereld van schijn en schal.
Landwaarts is het kil, maar de kust Is zoel als een najaarsnoen, Betogen door een rust Als van een eeuwig seizoen. ... Wat visschers langs 't eenzaam strand En kindren, spelend op straat - En de golven spoelend aan land, Het geruisch dat hen nooit verlaat.
Het gemis van een echte haven bezorgde de vissers veel zorgen. Bij harde wind was het namelijk een hele kunst hun schepen veilig aan het strand te landen. De scheepjes - 'bommen' genoemd - raakten op drift en kwamen pas kilometers van het dorp aan land. Op het schilderij van Vincent van Gogh hierboven is te zien hoe de vissersschepen op het strand liggen. De scheepjes werden aan het strand gelost en de vis in manden over duinen het dorp in gedragen.
Het voornemen tot de bouw van een wandelhoofd voor de badgasten van het luxe badhotel, stuitte onder vissers op groot verzet. Bij harde wind vormde de pier namelijk een gevaarlijk obstakel: de scheepjes konden er op te pletter slaan. De aanleg van een pier beschouwden de Scheveningers als 'de vernietiging van onze visschersvloot, den dood onzer visschers en de ondergang onzer visscherij'. Na veel vijven en zessen werd de pier in 1901 evengoed aangelegd. Twee jaar later echter werd ook een zeehaven aangelegd; het vissersverzet had het gewenste effect gesorteerd. De Haagse notabelen begrepen dat van toerisme alleen Scheveningen niet kon leven. |
|
|
| |
| |
|